Home
Huiswerk
Studie
Games
Forum
Muziek
Liefde
Verkiezingen
Terug
/ Huiswerk bekijken
onderstaand vind je de inhoud van het door jou gekozen huiswerk!
Maarten vant Hart
Taal:
Geboren:
25-11-1944
Open verslag in word
Print verslag
Kwaliteit van het verslag:
Currently 0.00/5
1
2
3
4
5
Beoordeling:
0.0
/5
(0 stemmen geplaatst)
De vlieger roman
door Maarten vant Hart
Datum: 13-02-2003
Zakelijke gegevens
Auteur: Maarten ‘t Hart
Titel: De vlieger
Uitgever: Uitgeverij De Arbeiderspers Plaats van uitgave: Amsterdam Jaar van uitgave en druk: 1998, 1e
Aantal blz.: 227
Genre: autobiografische roman, tragische humor
Eerste reactie
Ik heb dit boek gekozen, omdat ik de naam van de schrijver herkende. Ik wist dat hij ‘Een vlucht regenwulpen’ had geschreven. Hij is een bekende schrijver en ik wilde graag een boek van hem lezen. Ik ben dít boek gaan lezen, omdat de titel en voorkant mij aanspraken. Als je alleen naar de titel kijkt, zou het een kinderboekje kunnen zijn. Ik werd dus nieuwsgierig, omdat ik wilde weten wat een vlieger in een boek, geschreven voor volwassenen, doet.
Mijn eerste reactie is dat het een erg interessant boek is, met leuke grapjes en woordspelingen. Minder interessant waren de preken en de stukken uit de Bijbel. Dit was erg saai en niet boeiend.
Verdieping
Samenvatting:
De verteller van het verhaal is Maarten, de zoon van een gereformeerde grafdelver. Het verhaal speelt zich af in de 50-er, 60-er jaren, in Boonersluis. De familie is gereformeerd en bezoeken vaak de kerk. Zijn vader is grafdelver op de gemeentelijke begraafplaats. Elke dag komt hij thuis met verhalen over wat er gebeurt is en of hij weer last heeft gehad van Rampenne, een doofstomme, oude man, en een tamme reiger.
Op een dag wordt er een kruis bezorgd. Van het verpakkingsmateriaal maken Maarten, maar vooral zijn vader, een vlieger. Daarna gaan ze op een avond met voldoende wind vliegeren. Dat doen ze vlakbij de katholieke begraafplaats en de vader ziet dat het daar een rommeltje is. Later gaat Maarten weer vliegeren, maar zijn touw wordt doorgesneden. Na een aantal maanden zoeken, ziet hij opeens de vlieger achter het raam staan bij een huis dicht in de buurt. Als hij de vlieger terug vraagt, vraagt de vinder hem de staart te beschrijven. Maarten weet dit natuurlijk en krijgt zijn vlieger terug. Deze man heet Ginus van Diepenburch. Ginus en de vader van Maarten ontmoeten elkaar en ontdekken dat ze beiden van dammen houden.
Ginus heeft ook een dochter, Machteld en als Maarten haar voor de eerste keer ziet, is hij meteen verliefd op haar. Hij komt haar vaak tegen, maar zij moet niks van hem hebben. Ma
Maar dan moet de katholieke begraafplaats verplaatst worden, omdat er nieuwbouw voor in de plaats komt. De enige man die dit kan doen, is Maartens vader. Hij wil dit graag doen, maar dan wel met een dragline en liefst twee en nog twee vrachtwagens. Hier is de katholieke kerk fel optegen, omdat alle graven een voor een moeten worden opgegraven en omdat het mensen opvalt en ze vragen gaan stellen.
Ginus gaat ook bij de begraafplaats werken, en hij en vader kunnen het heel goed met elkaar vinden. Allerlei mensen proberen Maartens vader over te halen, maar het lukt hen niet.
Ondertussen heeft Ginus een eigen interpretatie van de Bijbel gekregen en daarom begint de kerk een afsnijdingprocedure. Ginus denkt namelijk dat God onze zonden vergeeft, gelijk wij hen vergeven. Hier heeft het lijden van Jezus Christus niets mee te maken. Dominees, ouderlingen, hoogleraren en Maartens vader kunnen hem niet van deze stelling afbrengen en uiteindelijk wordt Ginus verbannen uit de gereformeerde kerk en verhuisd naar Delft.
Daarvoor heeft Ginus al toegestemd in het ruimen van de graven, want twee pastoors zullen dan een man voor zijn dochter zoeken. Zij is namelijk zwanger, maar ze weet niet van welke man. Hier zit de vader van Maarten erg mee, want hij heeft een hekel aan ruimen.
Dan wil de vader de vlieger weer eens oplaten. Hij heeft er een bedoeling mee, want hij heeft van Rampenne gehoord dat ze toch begonnen zijn met ruimen van de katholieke graven. Hij wil kijken of dit waar is en het is zo: ze zijn bezig met een dieplepel, een nog grotere machine dan een dragline. Vader voelt zich gekwetst, omdat hij is afgewezen en hij juist hen wilde afwijzen.
In de epiloog is het verhaal 25 jaar verder en is Maarten getrouwd. Bij een actie van Amnesty International ontmoet hij Machteld weer. Zij is nu eigenaresse van een SM-club en heeft de kooi voor de actie beschikbaar gesteld. Maarten vraagt haar waarom ze hem altijd genegeerd heeft: zij was bang voor zijn verslindende blik. Haar vader is al gestorven en ook zijn vader is overleden.
Als de actie afgelopen is, spreekt een oude man Maarten aan. Hij zegt dat hij Maartens vader heeft gekend en vertelt hem een verhaal. Hij vertelt over een razzia waarin hij, samen met anderen werd opgepakt om te gaan werken in Duitland (Moffrika). Maartens vader fietste langs (hij was niet gepakt) en vertelde iets aan een Duitse bewaker die daarom erg moest lachen. De soldaat vertelde het door en al snel lachte iedereen en konden een paar mannen ontspannen. De laatste zin van de man is: ‘Nou, een ding is zeker, je vader… dat was me d’r een… komt kalmpjes op zijn houten bandjes de mart opfietsen om eens te kijken wie d’r zoal de pineut zijn… brengt al die rotmoffen aan ’t lachen en fietst dan kalmpjes op z’n houten bandjes de mart weer af… je vader… dat was me d’r een.’
Onderzoek van de verhaaltechniek:
Het verhaal speelt zich af na de oorlog, omdat op blz. 176 de vader zegt: ‘..ik denk dat er vroeger ook wel eens een mof is geweest die gekscherend tegen een jood zei: ‘Aan het gas met hou.’ Ja, dat soort grapjes…’ Ik weet dus dat het na de tweede Wereldoorlog afspeelt en dat het geloof erg belangrijk is, en belangrijker dan nu. Ik denk dat de epiloog na 1990 afspeelt, en je kunt uit de epiloog halen dat de verhuizing van Machteld minstens 10 jaar geleden is.
De plaats waar het verhaal zich afspeelt is Boonersluis. Dit is waarschijnlijk Maasluis, want daar is Maarten ’t Hart geboren en dit boek is autobiografisch. Alles gebeurd in deze stad en in het huis, op de begraafplaats en in de kerk. Deze plaatsen zijn belangrijk voor het verhaal, omdat zij te maken hebben met personen: het huis met maarten, de begraafplaats met zijn vader en de kerk met Ginus.
De hoofdpersoon is Maarten. Hij zit aan het begin van het boek nog op de middelbare school en aan het einde is hij 20 jaar, omdat hij in de vierde van de HTS zit. Maarten leest heel veel en gaat daarvoor zelfs naar de katholieke bibliotheek terwijl hij al lid is van de openbare. Hij is een stille, brave en verlegen jongen die goed zijn best doet en goed kan leren. Op catechisatie bijvoorbeeld kan hij altijd de opgegeven vragen van het Kort Begrip opnoemen. Dat de meisjes dan giechelen om hem, vindt hij erg raar en hij voelt zich er ongemakkelijk bij. Hij is overdonderd door de verschijning van Machteld en probeert har aandacht te trekken. Dat dit niet lukt, brengt hem niet op het idee om op te geven. Hij gehoorzaamt zijn vader en heeft respect voor hem.
Een andere hoofdpersoon is Maartens vader. In het boek wordt zijn naam niet genoemd. Hij is grafdelver en houdt van zijn baan. Hij heeft te veel werk te doen en is daarom heel blij als Ginus bij hem kan werken. Hij houdt van dammen en praten, doet dat beide ook veel, en vertelt mooie verhalen. Elke werkdag herhaalt zich hetzelfde ritueel: hij zet zijn fiets tegen de regenpijp, doet zijn klompen uit, gaat zitten in zijn stoel met een kop koffie en rolt een sigaret. Aan de volgorde van de laatste twee handelingen kan zijn gezin aflezen of er een verhaal komt of dat hij niets gaat zeggen. Hij is conservatief en de Bijbel en de kerk nemen een belangrijke rol in in zijn leven. Hij houdt van grappen en kan ze zelf ook goed vertellen. Hij heeft bijvoorbeeld een grap aan een spoorman verteld, deze werd later dodelijk geraakt door de trein, en aan de Duitsers. Hij heeft elke dag met de dood te maken, maar gaat er lichtzinnig mee om. Hij maakt er grappen over, maar is soms ook erg serieus.
De bijpersonen zijn Ginus en Machteld van Diepenburch, vader en dochter. Hij is ook gereformeerd maar leest de Bijbel anders. Hij wordt verbannen uit de kerk en dit grijpt hem zeer aan. Iedereen in Boonersluis kijkt hem met de nek aan en hij besluit te verhuizen naar Delft, waar hij ook gaat werken als grafdelver. Hij sterft tien jaar later aan kanker
Zijn dochter is een meisje die heeft geslapen met bijna elke jongen uit het dorp. Zij is niet te handelen door haar vader en als ze trouwt, wordt ze gelagen door haar man. Uiteindelijk is ze drie keer getrouwd en werkt ze bij een SM-club.
Op zoek naar de thematiek:
Het thema is het gereformeerde geloof.
Motieven hiervoor zijn de dialogen tussen Maartens vader en Ginus. Ook de discussie tussen Ginus en de gereformeerde kerk is een motief. Ginus beweert dat in de Bijbel niet staat dat Jezus aan het kruis is gespijkerd om onze zonden te laten vergeven. Hij krijgt waarschuwingen om zich van zijn idee te bekeren, maar blijft volhouden. De kerk speelt een belangrijke rol in het verhaal: Maarten heeft catechisatie en mag bepaalde (niet-gereformeerde) boeken niet lezen. Bij de katholieke kerk mag dat wel, maar er is een duidelijke rivaliteit tussen de kerken. Verder is het geloof belangrijk, omdat er wordt gediscussieerd over de middenscheiding van een aankomende dominee. Hiermee wordt door de schrijver eigenlijk het gereformeerde geloof belachelijk gemaakt.
Het verband tussen de titel en het thema zie je niet direct. Daarvoor moet je het boek hebben gelezen en dan weet je dat de vlieger is gemaakt van het verpakkingsmateriaal van een kruis. Dit kruis komt te staan op de gemeentelijke begraafplaats en Maartens vader krijgt het idee een vlieger te maken van de essenhouten latjes.
Ook is de vlieger het verband tussen Ginus en de vader van Maarten. Ginus heeft de vlieger gevonden en nadat hij heeft gesproken in de kerk over de onzin van de middenscheiding, wil Maartens vader hem beter leren kennen.
Misschien symboliseert het kwijtraken van de vlieger ook, het kwijtraken van het gereformeerde geloof van Ginus. Uiteindelijk vindt Maarten zijn vlieger weer terug en vindt Ginus een nieuwe kerk en het katholieke geloof.
Plaats in de literatuurgeschiedenis:
Het boek is voor het eerst verschenen in 1998. Dit is dus in de periode 1990-2000: deze periode heeft nog geen naam. Communicatiemiddelen als internet en e-mail zijn bekend geraakt onder een breed publiek. Ook is er een industriële kennisrevolutie en een politieke revolutie van de democratisering. Men heeft veel vrijheid en het geloof en tradities zijn minder belangrijk geworden.
In de literatuur is er niet één bepaalde stijl of stroming meer, maar alles mag en kan. Ook het lezen van literatuur is niet meer zo belangrijk en de grens tussen echte literatuur en gewone is onduidelijk geworden. Het is daarom erg moeilijk te zeggen of deze roman kenmerkend is voor de stroming. Ik denkt het niet, want deze roman zou ook veel eerder geschreven kunnen zijn, bijvoorbeeld in de periode 1960-1980. Het verhaal speelt zich ook af in het begin van die periode. Men wees toen de gevestigde waarden en normen af en de dagelijkse werkelijkheid werd belangrijker.
Maarten ’t Hart is geboren in 1944 in Maasluis. Hij is streng gereformeerd opgevoed en was zelf ook erg gelovig. Hij had een goede band met zijn moeder en zijn vader was ook echt grafdelver. ’t Hart was op school een uitstekende leerling. Als kind las hij erg veel en wilde hij ook al schrijver worden. Een tragische jeugdliefde beheerste zijn puberteit.
Hij studeerde biologie in Leiden en promoveerde in 1978. Hij gaf daarna les in Vlaardingen.
Tijdens zijn studententijd gaf hij zijn geloof op, maar de laatste jaren neemt zijn interesse in God en religie weer toe. Zijn interesses zijn: klassieke muziek, de natuur en literatuur. Thema’s in zijn werk zijn: eenzaamheid en het gereformeerde geloof.
Deze roman is zeker typerend voor de schrijver, want veel van zijn boeken gaan over hetzelfde thema en komen er soortgelijke personages in voor. Heel veel gebeurtenissen uit zijn leven, komen voor in De vlieger: de tragische jeugdliefde, het lezen van literatuur, het gereformeerde geloof. Het is dus een autobiografisch boek.
Beoordeling
Mijn eerste indruk was dat het een leuk en verrassend boek is en zo denk ik er nog steeds over. Ik heb het boek een paar keer gelezen en nog steeds moet ik lachen om bepaalde stukjes. Zoals op blz. 6 en 7 waarin Maartens vader vertelt over Rampenne, een oude, doofstomme man die elke dag op het kerkhof komt kijken. Hij zegt dan dat het erg moeilijk praten is met iemand die doofstom is en dat hij elke keer weer dat verrot klein notitieblokje onder zijn neus krijgt gedrukt. En komt Rampenne weer met een vettig stomp potloodje, dat bij het eerste woord wat je wil opschrijven, uit je handen glijdt. Dan val ’t in een perkje. Dan kan hij weer een halfuur zich rot zoeken tussen die verrekte puntige rozen. Hier moest ik echt om lachen en ik vind het het leukste stukje uit het boek.
Ook de boodschappen die de vader langs het touw van de vlieger omhoog stuurt, zijn erg leuk zoals: ‘Maak toch dat Rampenne mij voorgoed met rust laat, desnoods door te zorgen dat ik hem fatsoenlijk begraven kan.’ en ‘Laat meneer Alers, hoofd plantsoendienst, en als zodanig ook mijn directe chef, alstublieft zo diep in de stront zakken dat hij er tot zijn nekharen in zit.’
De meest aangrijpende passage was dat Maarten zijn vlieger kwijtraakt aan twee jongens, hoofdstuk 7. Deze jongens komen aanlopen over het and en Maarten ziet ze steeds dichterbij komen. Op een gegeven moment krijgt hij in de gaten dat ze naar hem toe lopen. Ze snijden het touw door na een gesprek en kijken ernaar. Maarten doet niks terug, ook niet als ze hem schoppen. Hans Werkman noemt dit in zijn recensie (Uitrekselbank): ‘subtiel uitgeoefend grof geweld van een overmacht.’ Ik vind dat deze beschrijving heel goed past bij de gebeurtenis, want je voelt het domineren van de twee jongens en de wanhoop van Maarten om zijn vlieger te behouden, maar ook de berusting van het kwijtraken.
Bepaalde verhaalelementen vond ik erg saai, zoals de lange, godsdienstige discussies tussen Ginus en Maartens vader. Ook in de epiloog komen weer lange stukken uit de Bijbel voor. In het begin van het verhaal las ik deze passages nog wel, maar daar ben ik mee gestopt. Het werd steeds moeilijker te bevatten wat deze gedeeltes betekenden. Deze discussies en gesprekken werden te ingewikkeld en wat mij betreft had de schrijver deze gedeelten eruit moeten laten of in ieder geval moeten verkorten. Deze stukken zijn dus te saai en te lastig voor iemand die niet de Bijbel kent, zoals ik. Zonder deze elementen zou het boek wat vlotter lezen, want de rest van het verhaal is makkelijk geschreven en je leest de roman zo uit. Dat komt doordat de zinnen prettig opgebouwd zijn, zoals je het zelf zou zeggen. Soms gebruikt de schrijver ouderwetse woorden zoals frutje en fris blozend.
De opbouw van het verhaal is logisch en ook daardoor is het een makkelijk boek om te lezen. Het verhaal begint met een introductie van de vader van Maarten en alles wordt chronologisch verteld. Aan het einde is een epiloog en hierin wordt verteld hoe het met Maarten gaat en wat er van Machteld geworden is. Je weet daarna ook dat Ginus en Maartens vader dood zijn en dat Machteld drie keer getrouwd is geweest en dat Maarten ook is getrouwd. Helemaal aan het einde vertellen twee oude mannen nog een verhaal over zijn vader en dat hij zo’n beste man was. Dit alles zorgt ervoor dat ik het einde gesloten vind, ondanks dat Maarten en Machteld een vage afspraak hebben om elkaar weer te zien.
Wat ik me nu wel afvraag, is hoe Maartens vader heet. Ik weet nu dat de Maarten in het verhaal afgeleid is van de schrijver zelf. Misschien heeft hij niet zijn naam genoemd, of laten noemen, om hem te beschermen. Ook Maartens moeder wordt niet genoemd, maar zij is ook minder belangrijk voor het verhaal.
Ik ging ook over een passage op blz. 30 nadenken. Daar las Maarten in een boek wat de hoofdpersoon het prettigst vindt: op de hei op een heuveltje liggen in de zon of in een ruisende boom heen en weer wiegen. Maarten koos de laatste en ik ook. Dit wordt beeldend beschreven en ik zag het ook voor me. Het is een moeilijke keuze, maar het zegt wel wat over Maarten (en mij).
Het thema, het gereformeerde geloof, boeit mij niet. Ik ben zelf niet gelovig en zoals ik al eerder heb vermeld, vond ik de gedeeltes over de Bijbel erg saai. Ik had geen mening over dit geloof en heb dat nog steeds niet. Ik vind dat iedereen moet geloven wat hij/zij zelf wil. De schrijver maakt hier zijn geloof soms belachelijk en dat vind ik wel vreemd. Waarschijnlijk is hij vroeger zo streng opgevoed, dat hij het later is gaan haten. Dat blijkt ook uit zijn biografie: in zijn studententijd zwoor hij het geloof af.
De roman is niet realistisch. De ik-verteller romantiseert zijn jeugd: zijn vader vertelt prachtige verhalen, hij leest heel veel boeken en is verliefd op het mooiste meisje van de stad. Er gebeuren veel onrealistische dingen in, zoals de dood van de man die aan het spoor komt werken. Het laatste wat hij hoort, is een mop over een dode glazenwasser die Maartens vader hem vertelt. Dit is wel erg toevallig. Ook zijn sommige personages, zoals Rampenne en de reiger, typetjes. Een doofstomme man die rondloopt op een begraafplaats en een tamme reiger die altijd in graven zit te staren, kan niet werkelijkheid zijn. Dat dit onwerkelijk is, is juist wel leuk omdat het grappig is en vreemd.
Mijn eindoordeel is dan ook dat ik dit boek zeker zou aanraden aan iemand, die wel eens wat anders wil lezen. Het boek is niet echt in te delen in een bepaald genre en ik vond het een verassen, leuk boek.
Verkiezingen
Copyright (C) 2002-2010 Leerlingen.com -
Adverteren op Leerlingen.com
-
Privacy beleid