Terug / Huiswerk bekijken

onderstaand vind je de inhoud van het door jou gekozen huiswerk!
Constantijn Huygens
Taal:
Geboren: Onbekend
 
Kwaliteit van het verslag:
Beoordeling: 1.0/5
(1 stem geplaatst)
Trijntje Cornelis
door Constantijn Huygens

Constantijn Huijgens: Trijntje Cornelis. Ingeleid door Harrie Hermkens en Paul Verhuyck.

Uitgeverij Prometheus/ Bert Bakker Amsterdam 1997.

Het boek telt 210 blz. en 1572 versregels.



Huijgens leefde van 1596-1687 was geboren en gestorven in Den Haag. Zijn vader Christiaen was afkomstig uit Ter Heide bij Breda en zijn moeder Suzanna Hoefnagels, stamde uit een vooraanstaande Antwerpse protestantse familie. Huijgens studeerde rechten in Leiden en maakte vele reizen. Hij schreef in het Frans, Engels en het Latijn, musiceerde en componeerde ook nog eens.

Trijntje Cornelis schreef hij in 1653, toen hij 57 jaar oud was. Hij voorzag het hele verhaal van data, dus kunnen we hem van dag tot dag volgen. Hij begon op Zaterdag 20 september 1653. Hij schreef die dag acht verzen. De volgende verzen zijn binnen een week op papier gezet. Huijgens beschouwde het inmiddels 1155 regels tellende stuk als voltooid en eindigde met een epiloog, die hij later weer zou schrappen. In het week daarop besloot hij om er een klassieke komedie van te maken bestaande uit vijf bedrijven. Zo kon hij ook een wraakscène toevoegen om daarmee het rechtvaardigheidsgevoel van de lezer te bevredigen.



Het genre zit tussen klucht en komedie. Hij wijkt af van de traditionele klucht doordat hij 1572 verzen telt, wat normaal zou zijn voor een klassiek toneelstuk. Hij heeft de stereotypen uitgewerkt tot geïndividualiseerde karakters.



De proloog, die ongewoon lang is, begint met de sonore zin: “De Vrede was in’tland, den uijtslagh van Westphalen”. De proloogspreker vertelt aan het publiek wat er gebeurd is voordat Trijn Cornelis in de Antwerpse Lepelstraat strandde. De schipper Klaas Gerritszoon vaart met zijn schip naar Antwerpen, tot aan de kade die het Bierhoofd heette, en sleept samen met zijn knecht Kees de lading naar de stad. Zijn vrouw Trijn zoekt ondertussen haar vermaak in een wandeling door Antwerpen, waar ze kerken en kloosters wil zien. In de kathedraal luistert ze naar een preek, maar ze begrijpt niets van de Antwerpse taal. Dus gaat ze weer de straat op en bezoekt een nonnenklooster. Dat kan alleen het klooster van de Witte Vrouwen zijn geweest, in de Cammerstraat, thans de Kammenstraat, waar gevallen meisjes werden opgevangen en heropgevoed. De nonnen willen Trijn overhalen zich te bekeren en in te treden, maar Trijn vindt dat een fatsoenlijke vrouw getrouwd behoort te zijn. Ze stapt dus op, om het kasteel te gaan bekijken.

Onderweg wordt ze in de Lepelstraat opgevangen door de hoer Marie (of Maai). Dit is het moment waarop de proloog eindigt en het eerste bedrijf begint. Marie doet alsof ze verre familie van haar is en haar nog van vroeger kent. Ze lokt Trijn mee naar binnen. Samen met de hoerenloper Francisco voert ze haar dronken en berooft haar van kleren en sieraden. Ze hullen Trijn in een versleten pagekostuum en Francisco moet haar vijf straten verder, in de richting van het centrum, op een mesthoop gooien. In het derde bedrijf voltrekt zich de geestige en tevens ontroerende mesthoopscéne. Trijn ontwaakt en denkt dat ze een man geworden is; maar geleidelijk komt ze tot zelfherkenning. Dan verschijnt de nachtwaker, Hanneken-Uit, die haar na wat misverstanden naar het schip brengt, waar ze door knecht Kees wordt opgevangen.

Hier zou aanvankelijk het stuk eindigen. Maar het rechtvaardigheidsgevoel was niet bevredigd. Huijgens besloot er een komedie in vijf bedrijven van te maken, waarin het kwaad alsnog gestraft zou worden. In het vierde bedrijf legt Trijn aan Kees uit wat er gebeurd is. Hij helpt haar bij het bedenken van een list: gewoon naast Klaas in bed kruipen alsof er niets is voorgevallen. En inderdaad, Klaas merkt niets omdat hij, na samen met Kees op zoek te zijn geweest naar Trijn, een stevige borrel heeft gedronken om zijn verdriet te vergeten. Als Klaas ontwaakt, trekt hij de stad in om de zaken van de vorige dag af te handelen.

In het laatste bedrijf voltrekt zich dan de klassieke wraakscène. Marie en Francisco maken een wandeling en komen op het Bierhoofd terecht. Kees lokt hen in het ruim, na hun verzekerd te hebben dat een zeker schip uit Zaandam `s morgens vroeg vertrokken is, omdat de vrouw naar huis wilde. De twee krijgen een pak slaag en worden van hun kleren beroofd. Marie (in het pagekostuum) en Francisco (in de oude plunje van Kees) lopen weg op het moment dat Klaas terugkeert uit de stad. Trijn zal hem onderweg naar huis wel een mooie verklaring geven van de gebeurtenissen:



En wat sou Tryn en Claes met kijven leggen malen?

De Vrede was in `tland, den uijtslagh van Westphalen.



En daarmee is de cirkel gesloten.



Trijntje Cornelis, de hoofdpersoon, schittert door waarachtigheid. Ze staat voor het voetlicht als een jonge, knappe Zaanse, welbespraakt, helemaal niet dom, maar noodlottig misleid door haar nieuwsgierigheid. Ze behoort tot de wat stijve, gereformeerde middenklasse van de burgerij, die echter volkse uitdrukkingen geenszins schuwt. Ze is wel degelijk bij de pinken, maar ze is daarbij te goed van vertrouwen en vertoont een zeker gebrek aan improvisatie. Ze combineert Hollandse eenvoud en rechtvaardigheidsgevoel met een zekere botheid, waardoor ze een situatie niet direct juist kan inschatten.



Klaas Gerritszoon, haar man, de schipper, is een niet onbemiddelde burger, die door hard werken een eigen schip heeft verworven. Hij is uit op winst, maar beschouwt zijn vrouwtje als zijn kostbaarste bezit. Hij laat zich door haar dan ook gemakkelijk ringeloren.



Kees, de schippersknecht, vindt eten en drinken belangrijker dan vrouwen. Hij leeft op vertrouwelijke voet met zijn baas, maar vooral met zijn bazin. Hierdoor, en ook door zijn radde tong, leunt hij aan bij het type van de even trouwe als handige knecht uit kluchten en komedies.



Marie of Maai, de tegenspeelster van Trijn, is het type van de meretrix uit de klassieke traditie, de geraffineerde hoer. In het stuk blijkt dat zij betere tijden heeft gekend; nu echter schrikt zij niet terug voor een gemene streek, om zoveel mogelijk profijt te halen. Maar haar doortraptheid wordt enigszins getemperd door haar medelijden met het slachtoffer.



Francisco, de “pol”(iets tussen hoerenloper en pooier) is een variant op het type van de snoevende soldaat, de miles gloriosus, bekend uit de Latijnse komedie en de vroegmoderne kluchten, maar extra versierd als een Bourgondische praalhans. Hij is hier tot in de details getekend als de kale profiteur, die zo Spaans mogelijk wil overkomen. Onder dit masker schuilt de platste lafheid, die vooral blijkt als hij de bewusteloze Trijn gaat verkrachten. Tegenover Marie laat hij zijn slaafse dienstbaarheid blijken. De figuur Jerolimo uit Bredero’s Spaanse Brabander is waarschijnlijk niet zonder invloed gebleven op dit navrante personage; voor Huijgens behoorde dit stuk tot de beste kluchten.



Paschier, een hoerenloper, is slechts een passant, die als enige functie heeft de spanning op te voeren.



Hanneken-Uit, de nachtwaker of “klapperman”, heeft een belangrijk aandeel in de gelukkige afloop. Als hij Trijn op de mesthoop aantreft, overwint hij zijn aanvankelijke geile opwellingen en brengt haar, een en al behulpzaamheid, terug naar het schip. Opvallend is dat hij het leven filosofisch opneemt.





Thema’s.

Door heel het stuk loopt het motief van Trijns identiteit. Aan het begin van het spel vraagt Marie wie ze is; Trijn bevestigt haar identiteit. Daarna op de mesthoop heeft ze een identiteitscrisis, omdat ze denkt dat ze een man geworden is. Ook tegenover Hanneken-Uit bevestigt ze haar identiteit.Hetzelfde geldt voor Kees.

Andere thema’s zijn liefde, list en bedrog. Ook het vrouwenbeeld komt naar voren.



Het is een grappig boek om te lezen, maar wel moeilijk zonder vertaling!
Verkiezingen
Copyright (C) 2002-2010 Leerlingen.com - Adverteren op Leerlingen.com - Privacy beleid